De fast ferry naar en van Banda

Deze doet er een 6-tal uren over om van Teluhu haven (Ambon) naar Banda Neira te varen. Spiegelgladde zee en buiten de drukkende warmte redelijk comfortabel in ” VIP” klasse. Je hebt ook “economy” die eigenlijk buiten zit. Ik zag wat VIP’s naar daar verhuizen voor meer ventilatie en zuurstof…

De medepassagiers waren hoofdzakelijk Indonesiërs: een vrolijk kwetterende bende die ook altijd wil helpen.

De Westerse medepassagiers zijn dan weer hoofdzakelijk duikers. Blijkbaar is het spotten van hamerhaaien hét van hét momenteel. Grappig gesprek tussen een Duitser en een Chinese: Duitser toont zijn hamerhaai filmpje en wil het delen met Chinese, die weigert want ze wil haar eigen filmpje maken. Het is best wel een gedreven bende.

Als je het niet gewoon bent: de aankomst is altijd wat druk. Amper ligt de boot langszij of die wordt bestormd door een legertje dragers die bijna vechten om je bagage en een taxi-rit willen boeken.

De afstand is ongeveer 200 km.

Lonthoir, Banda Besar

Dag II van ons bezoek aan de Banda archipel was eigenlijk al gepland, maar wordt nog een beetje bijgesteld. Zo krijgen wij nu ook de prauwen te zien, waarmee nog rituele vaarten en wedstrijden worden gehouden.. Volgende maand zal er nog zo’n evenement plaatsvinden.

In de Rumah Adat, het traditionele gemeenschapshuis, worden alle rituele attributen bewaard. Zo ook deze mooi geschilderde boegbeelden, die bij de wedstrijden op de prauwen worden vastgemaakt.

En dan gaat het met brommers de heuvels in (is 400 à 500 m nog een heuvel?), kronkelend door kleine dorpjes met massa’s spelende kinderen – het is zaterdag en er is ’s middags geen school meer – madrassa (koranschool) of gewone school.

Er is daar natuurlijk weer een fort.
De locaties werden ingenieus uitgezocht. Met één of meerdere forten op een bepaalde hoogte kon je alle baaien in de gaten houden.

Je vindt ook de “bloedsteen”, de steen waar de Nederlanders en de lokale leiders een overeenkomst met bloed tekenden – je weet wel, zoals bij de Indianen. Maar zoals we weten, hebben de Nederlanders zich niet aan de overeenkomsten gehouden.

Dan klimmen wij weer verder, naar de botanische tuin.
Een man klimt in een boom om de muskaatnoten uit de boom te schudden. Een andere methode is met een bamboestok de noten uit de boom te trekken.

Je weet dat ze rijp zijn, als ze opensplijten.

Meest indrukwekkend zijn toch de kenari bomen – eeuwenoud, breed en hoog, waartussen de nootmuskaatbomen kunnen gedijen.

Er wordt hier ook vanille gekweekt, maar wij hebben nergens bonen zien hangen

Alhoewel de vrouw van de hotelier zegt dat ook hier het weer veranderd, is het op deze eilanden best droog en regent het niet zo veel

Een bron is daarom zeer belangrijk en wordt goed bewaakt.
Je moet je schoenen uitdoen voor je aan de waterput komt en vrouwen mogen nooit water ophalen (vind ik best).

,

Na dat trieste verhaal, iets ongelofelijks

Eén adellijke familie kon de Nederlandse slachtpartij ontkomen en kon de kusten van Seram bereiken. Later verhuisde een deel van hen naar Saparua, het eiland dichtbij Ambon. De naam van de familie veranderde ietwat met de verplaatsingen, maar is nog steeds duidelijk voor allen in de Banda eilanden.

De tranen sprongen in mijn ogen toen ik het hoorde. Onze Indonesische familiegeschiedenis is traceerbaar tot in de 17de eeuw. Zo speciaal …

De vreselijke geschiedenis …

7 jaar geleden lazen we Giles Miltons boek “Nathaniels nutmeg” dat een licht gekleurde versie gaf van wat zich hier in de Banda eilanden afspeelde meer dan 300 jaar geleden. De (super)korte versie is dat nadat de Portugezen de herkomst van de nootmuskaat ontdekt hadden, barstte er – zoals eerder verteld – een hevige strijd los tussen de Engelsen en de Nederlanders.

Wanneer, na de zoveelste onderhandeling, de Bandanezen er genoeg van kregen, lokten die de leider Verhoeff en zijn 2 commandanten in de val. Ook aan boord waren Jan Pietersz Coen en Piet Hein … En uit wraak werd heel het dorp Lewetaka uitgemoord. Toeval of niet: elke kamer in dit hotel heeft een historische naam … de onze is Lewetaka!

Hier ging het dus om: geld! Veel geld! Naar verluid brachten de eerste schepen zoveel op dat een zeeman genoeg had aan een zakje nootmuskaat, om bij aankomst in Amsterdam, daarmee een huis te kopen.

Piet leidde nog een aantal strafexpedities op Run en Banda Besar (Lontor). Na het quasi volledig uitmoorden van de bevolking had het VOC haar monopolie vast en moest ze enkel nog de Engelsen wegjagen. Tekenend is ook de naam van het fort op het eiland Ay: het heet Revenge (Wraak). De gevangenis daar ligt net naast de regenwater tank; dus lekker vochtig.

Toen uiteindelijk bleek dat ze teveel mensen uitgemoord hadden ging de VOC op zoek naar import arbeiders om de nootmuskaat boompjes te verzorgen… Nederlanders kregen een “perk” – zeg maar plantage. Die mensen werden perkeniers genoemd … een beetje zoals renteniers. Nu nog zijn er Nederlandse families die slapend rijk zijn door wat hun voorvaderen hier deden.

Flaneren …

Tussen het snorkelen door, lunchen wij op Run.
Niet veel te zien, buiten spelende kindertjes. Ongelofelijk toch, als je denkt dat hier zoveel handel werd gedreven.

Run, Ay & Nailaka

Dit waren onze bestemmingen voor de dag.
Wij verlaten Banda Neira met het fort Belgica aan stuurboord, voor een dagje geschiedenis, snorkelen en een klein beetje luieren.

We gaan de eilandjes zien waar het meest om te doen was tijdens de oorlogen tussen de Nederlanders en de Engelsen, maar waar vooral de Bandanezen het slachtoffer werden. Maar zonder die kennis ziet het er allemaal paradijselijk uit. Vele tinten blauw … en een zee die er zo glad uitziet als olie.

Dat is Run: 3 km lang en geruild tegen Manhattan en Suriname …

Onderweg komen we nu en dan deze vlotjes tegen, soms versierd, soms met een zonnepaneel er op. Dat zijn vallen om sardienen te vangen. ’s Nachts schijnen ze lampen in het water om de visjes aan te trekken.

Onderweg kwamen we dolfijnen tegen, maar die waren de fotograaf telkens te vlug af!

Fort Belgica

Dit fort ging Nederland of Belgica heetten. Het werd om één of andere reden Belgica en diende om de Engelsen weg te houden. De Bandanezen en de Engelse waren voorstander van vrijhandel voor de nootmuskaat, maar de Nederlanders (lees VOC) wilden een monopolie met bovendien een door hun opgelegde prijs. Het resultaat laat zich raden. Met dit bolwerk konden ze de Engelse vloot weg houden.

Het is blijkbaar ook een geliefkoosde plek om foto’s en filmpjes te maken voor de sociale media. We troffen er een drone-fotograaf aan met een paar van zijn klanten. Compleet met regie instructies “haar naar achteren, rechts; stap vooruit; glimlach”.

Tempo Doeloe …

Bij aankomst worden wij afgehaald door Pak Abba, hoteleigenaar en tevens organisator van trips op Banda Neira en daar rond. Hilarisch is het verhaal van het organiseren van prauwen met Alfoerse krijgers voor de deelnemers aan cruises.

Hij zorgt dat wij vlot terecht komen in Tempo Doeloe, de oude koloniale tijd, ware het niet dat dit hotel pas in de jaren ’60 zou zijn opgericht. Maar het is mooi en gezellig, zonder kneuterig te zijn. Complimenten voor de binnenhuis architect van het Cilu Bintang Hotel.

Eigenlijk kunnen ze zoiets op bijna elk Moluks eiland doen. De Banda archipel heeft echter een net iets gevarieerdere geografie, veel duikgelegenheden en een vreselijke geschiedenis. Dat zijn veel aanknopingspunten voor een geoliede toeristische industrie. Cruiseschepen, grote zeilboten – je ziet het hier allemaal.